Een paspoort tot alles
14 december 2009
Voetbal bood Stanley Tshabalala een ontsnapping uit de armoede van Soweto. Tshabalala (59) werd in 1992 zelfs de eerste bondscoach van Zuid-Afrika na de boycot. Ondanks een incident in die periode, is hij een gelukkig mens. Met dank aan het voetbal én de lessen van zijn moeder.
Door zijn jaren in Amerika ging hij de apartheid met andere ogen zien. Een beenbreuk dwong hem jong te stoppen als speler, maar als coach vierde hij grote successen.
In Orlando East werd in de jaren vijftig en zestig veel op straat gevoetbald. In de straatarme wijk van Soweto, waar Stanley Tshabalala in 1949 werd geboren, was maar weinig vermaak. Slechts een enkeling had geld om de kinderen naar school sturen. “Ik was pindaverkoper bij het treinstation. Daarmee verdiende ik wat geld. De meesten van mijn vrienden zaten regelmatig in de cel, door het zakkenrollen. Ze moesten toch ergens geld vandaan halen. Maar als je gepakt werd, zat je een tijdje vast.”
Het waren politiek rumoerige tijden. “Veel mensen waren met politiek bezig. Je mocht de politie nooit vertellen waar iemand woonde, anders was je een verrader. Apartheid was vreselijk, maar wij waren geen politici. We hielden meer van voetbal, dan van wat dan ook.“
In die tijd, halverwege de jaren zestig, was de voetbalcompetitie nog gescheiden. Blank, zwart, Indiër, kleurling: iedereen had zijn eigen competitie. “Je had een fantastisch blank team in Johannesburg, Highlands Park, met Engelsen en Brazilianen. Hun voetbal, met veel flair, sprak tot onze verbeelding. Al werden we weggestopt in een stampvol hoekje van het stadion en zaten blanken op de beste plaatsen, ik vond het prachtig.”
Het voetbal leidde af van de ellende thuis. Zijn vader was vertrokken toen hij een paar jaar oud was. Zijn moeder verdiende niet genoeg om alle zes kinderen te eten te geven. “Ze was huishoudster bij een blanke familie. Als we geluk hadden, kreeg ze de restjes mee. Dan hadden we genoeg te eten. Naar school ging ik niet, ook al wilde ik heel graag. Dat kon alleen als je familie geld had of een eigen zaak. Waar ik opgroeide had je eigenlijk twee keuzes, je werd voetballer of bokser. Boksen was niks voor mij. Je krijgt een pak slaag of komt thuis met een gebroken neus. Dus werd het voetbal.”
Zijn talent viel al snel op. Op zijn vijftiende speelde hij voor Real Fighters in Alexandra, ook in Johannesburg. Hij was een snelle rechtsbuiten, die regelmatig scoorde. Na twee seizoenen trok Kaiser XI hem aan. Dat was de voorloper van Kaiser Chiefs, een topclub. Nu kon hij zijn familie lucht verschaffen. En twee jaar later, in 1971, kreeg hij zelfs de kans om naar Amerika te gaan.
“In de boeken van World Soccer stonden de adressen van alle Amerikaanse clubs. En beroemde Zuid-Afrikanen als Jomo Sono en Kaiser Motaung waren al ook gegaan. Een buurvrouw schreef de brief voor mij.”
Zuid-Afrikaanse spelers waren gewild in Noord-Amerika. Tshabalala kreeg een kans bij Fort Lauderdale Strikers in Miami. In New York logeerde hij bij Steve ‘Kalamazoo’ Mokone, de spits die in de jaren vijftig nog indruk maakte bij Heracles Almelo.
Het was een grote stap van Orlando East naar Miami. “Het niveau was een stuk hoger dan ik gewend was. Er speelden gelouterde spelers uit Europa. Ik was maar een gemiddelde Afrikaanse speler. Het was lastig om daar door te breken. Vergeet niet dat spelers als Pele, Neeskens, Cruijff en Beckenbauer daar later ook speelden.”
Maar ook op andere vlakken gingen Tshabalala’s ogen open. “Ik was de enige donkere speler, had nog nooit met blanken gevoetbald. Ik durfde ze in het veld niet aan te raken of met ze te douchen. Ik was doodsbang iets verkeerd te doen. Maar ze hielpen me over de schroom heen. En ook naakt was er niets mis met die mannen, haha.”
En hij ontmoette Beverly, een studente medicijnen. “Na elke training gaf ze me Engelse les. Ik was gretig. Ze deed het gratis, uit medemenselijkheid. Ze leerde me ook zwemmen. Hele mooie meid, maar gek genoeg is er nooit iets amoureus tussen ons voorgevallen. Ik ben haar ontzettend dankbaar. We hebben altijd contact gehouden. Ze is zelfs een keer naar Zuid-Afrika gekomen, op mijn uitnodiging, toen ik bondscoach was. Helaas is ze inmiddels overleden.”
Tshabalala brak niet door in Florida. Na anderhalf jaar kwam hij terug naar Zuid-Afrika, waar voetbal steeds meer gemengd werd. De overheid liet het oogluikend toe. “Het was een interessante tijd. En al waren blanken spelers eerst nog bang om in Soweto te spelen, we speelden tenminste samen!”
Na Amerika zag hij apartheid met andere ogen. “Ik kwam terug als een compleet ander persoon. In Amerika durfde ik Beverly niet eens aan te raken of met mijn medespelers te douchen, maar ik raakte eraan gewend. Toen ik terug kwam, ging ik mezelf allerlei vragen stellen. Waarom doen we dit? Wat een dwaze toestand eigenlijk.”
Hij kreeg een contract bij Orlando Pirates. Dat ging goed tot een zware botsing met keeper Henry ‘Black Cat’ Cele . Hij brak zijn been op verschillende plaatsen en kwam als voetballer nooit meer op niveau, mede vanwege een verkeerde behandeling. “De medische voorzieningen voor zwarten waren toen nogal beperkt. ” Keeper Cele raakte zijn agressie elders kwijt. Hij werd acteur en maakte furore als Shaka Zulu in de gelijknamige film.
Toen Tshabalala in 1975 – pas 26 – ook zijn andere been brak, stopte hij met voetballen. Nog datzelfde jaar werd hij gevraagd coach van Orlando Pirates te worden. “Onze coach, Mario Tuani, moest terug naar Chili. De belangrijkste spelers, Jomo Sono en Patson Banda, wilden dat ik coach werd. Ik weet niet wat ze in me zagen, maar de spelers geloofden in me. Ik had veel opgestoken in Amerika.” Pirates won de BP Cup. En de jonge coach kreeg een bijnaam, met dank aan zijn volume langs de lijn: Stanley ‘Screamer’ Tshabalala.
Zijn successen waren ook Zola Mahobe opgevallen. De steenrijke zakenman had Mamelodi Sundowns overgenomen en haalde Tshabalala weg bij Pirates. En kocht een vijftal topspelers. Mahobe stuurde hem naar Italië om stage te lopen bij AC Milaan en Juventus. “Vooral bij Milaan leerde ik veel van coach Arrigo Sacchi. Verdedigers als Maldini en Baresi waren altijd rustig aan de bal. Sacchi riep steeds: Piano, piano. Rustig aan. Zuid-Afrikaanse verdedigers ‘peren’ de bal vaak wild naar voren. Ik schoolde middenvelders om tot verdediger.” Tshabalala leerde Sundowns verzorgd te voetballen. Zijn speelstijl kreeg zelfs een naam: “Shoeshine and piano”.
“Shoeshine slaat op de beweging van een schoenpoetser. Het betekent samen aanvallen en verdedigen. Het leek wel wat op het Totaal Voetbal van Michels en Cruijff.” Sundowns won negen bekers in zes jaar en doorbrak de hegemonie van de Soweto Big Three (Orlando Pirates, Kaiser Chiefs en Moroko Swalllows) door kampioen te worden.” Mahobe trakteerde zijn team, met aanhang, op een tripje naar de FA Cup finale in Londen. Aan het feest kwam plots een einde toen Mahobe werd gearresteerd wegens fraude.
Maar Tshabalala had zijn naam als coach gevestigd. Toen Zuid-Afrika in 1992 weer door Fifa werd toegelaten, werd hij de eerste bondscoach. “Ik moest bij nul beginnen. Ik wilde het sterkste team, maar wilde ook dat de blanken zich niet buitengesloten zouden voelen. Gelukkig hadden we in die tijd ook een paar sterke blanke spelers, zoals Mark Anderson, Peter Gordon en Neil Tovey.
De verwachting waren enorm, maar Zuid-Afrika was al sinds 1954 niet meer blootgesteld aan internationale verhoudingen. Vriendschappelijk werd nog wel gewonnen van Kameroen (1-0), dat met Roger Milla furore had gemaakt op het WK, maar bij de WK-kwalificatie ging het mis. Eerst won Zimbabwe in Harare met 4-1. En op 10 oktober 1992 was de prestigieuze uitwedstrijd in Lagos tegen Nigeria. Het duel symboliseerde de strijd om de hegemonie op het continent. Tshabalala’s team was kansloos tegen het ijzersterke Nigeria van Clemens Westerhof: 4-0.
De pers bekritiseerde Tshabalala. Met name Sy Lerman, een blanke sportjournalist van de Zuid-Afrikaanse Sunday Times, was scherp in zijn uitlatingen. Na de nederlaag tegen Nigeria schreef hij een stuk over Tshabalala, met als kop “Don’t scream, just go!”
“Kritiek op de speelwijze is prima, maar hij werd te persoonlijk. Lerman voerde campagne voor de Engelsman Terry Paine, die in 1966 wereldkampioen was geworden. Lerman wilde geen zwarte coach, het moest een blanke buitenlander zijn. Hij vond dat ik internationale ervaring miste, maar ik kreeg sterk het idee dat hij gedreven werd door racistische motieven.”
De controverse leidde tot een incident met grote gevolgen. Bij een persconferentie eindigde een discussie in een handgemeen, waarbij Tshabalala een klap uitdeelde aan Lerman. “Ik duwde hem weg,” is Tshabalala’s verweer. “Maar ik zat fout. En ik accepteerde dat de bond mij ontsloeg.”
Na het Lerman-incident stokte de carrière van Tshabalala als hoofdcoach. Toch bleef hij actief in het voetbal bij Sundowns en Orlando Pirates. Nu is hij al enige jaren coach van de nationale teams onder twintig en onder zeventien bij de Zuid-Afrikaanse voetbalbond. “Natuurlijk ben ik niet trots op dat incident, maar ik ben gelukkig. Nog steeds ben ik continu bezig met mijn grote liefde: voetbal.”
Ook hij ziet – als jeugdcoach – dat het met veel jonge talenten misgaat in Zuid-Afrika. Zoals toptalent Jabu Pule, die in Oostenrijk dronken achter het stuur in slaap viel en werd ontslagen.
“Begeleiding is cruciaal. Je moet keihard zijn. Jonge spelers krijgen soms een miljoen Rand tekengeld (85.000 euro, ES). Het eerste wat ze doen is een dure auto kopen, met een flinke installatie. Ze denken nooit aan investeren. En de zaakwaarnemer is vaak vertrokken zodra hij zijn vergoeding heeft opgestreken.”
Zelf is hij vooral zijn moeder dankbaar. “Ik verkocht pinda’s. Het enige wat ik kon was voetballen. ‘Geen alcohol, niet gokken,’ zei mijn moeder altijd. En dat zeg ik nu tegen mijn spelers. Mijn moeder heeft me geleerd mijn eigen kleding te wassen en geld opzij te leggen. Dat kun je jongeren nog steeds leren. Ik kwam uit een arm township. We hadden niets. En kijk hoe ik er nu bijzit: ik ben schoon, draag een pak, en kan in het Engels discussiëren.”
“Voetbal was mijn paspoort naar een goed leven, en een mooie oude dag voor mijn moeder. Voetbal was mijn paspoort naar bekendheid en ontmoetingen met presidenten. Een paspoort tot alles. Laatst werd ik door een universiteit uitgenodigd om een lezing te geven. Het publiek bestond uit hoogopgeleiden. Kun je je dat voorstellen? Ik als arm jongetje, dat niet naar school is geweest. En dan vraagt een universiteit mij om een lezing te geven. Over voetbal, want dat ken ik. Dat is toch ongelooflijk?”
Kader 1:
Het WK komt er aan, en oud-bondscoach Tshabalala maakt zich zorgen. “De hele wereld kijkt naar ons. En het gaat niet goed met ons team. Buitenlandse invloed is prima, maar je moet je eigen cultuur niet verloochenen. In Zuid-Afrika is voetbal ook altijd entertainment geweest. Veel officials denken nog steeds dat een buitenlandse coach zaligmakend is. Maar een buitenlandse coach wil vaak teveel veranderen.”
“Balbezit is entertainment, in mijn ogen. Daarom hou ik van de Hollandse stijl en van een speler als Wesley Sneijder. Die mix van kracht en flair, een moderne voetballer, hij is overal!”
“Bij ons in Zuid-Afrika moet wel ruimte blijven voor Afrikaanse accenten. Zwarte spelers hebben een natuurlijke flair. Als coach moet je er wel discipline aan toevoegen, maar maak het niet kapot! Ga geen trucjes en dribbels verbieden. Maar zorg dat ze wel weten dat ze bij balverlies keihard moeten werken om hem terug te winnen.”
Kader 2:
De Braziliaanse bondscoach Tele Santana van Zuid-Afrika heeft – in navolging van voorganger Carlos Parreira – gekozen voor de jeugd. “Dat is mooi voor hun ontwikkeling, maar het geeft je niet automatisch een sterk team. Je hebt ervaren spelers nodig, zeker op het middenveld. Een speler is tegenwoordig snel te oud. Maar ik vind: zolang zijn benen hem nog kunnen dragen, stel hem op! Want je hebt zijn ervaring hard nodig.”
“Ik ben een criticus. Ik schreeuw het niet van de daken, het staat niet in de krant, maar ik adviseer de andere Zuid-Afrikaanse coaches wel. Maar op de bondscoach stap ik niet zomaar af, zo ben ik niet opgevoed. Die man is uitgenodigd om hier te komen coachen. Pas wanneer hij er om vraagt, zal ik mijn mening geven. Dan is het aan hem of hij er iets mee doet.”